ECLI:NL:CRVB:2021:1160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Wajong-uitkering en terugvordering wegens ingetrokken verblijfsvergunning
Appellant ontving sinds 29 mei 2014 een Wajong-uitkering. Zijn verblijfsvergunning werd per 6 april 2012 ingetrokken, maar het Uwv beëindigde de uitkering pas per 1 januari 2015. Na een gerechtelijke uitspraak werd de uitkering heropend, maar later opnieuw beëindigd met terugwerkende kracht vanaf 21 november 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en oordeelde dat het Uwv pas vanaf 17 december 2015 de uitkering had mogen intrekken en terugvorderen. Het Uwv stelde het terugvorderingsbedrag bij en legde dit vast op € 25.079,93 voor de periode van 17 december 2015 tot 14 augustus 2017.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij vanaf 17 december 2015 geen recht meer had op de uitkering. De schending van de inlichtingenplicht door appellant is vastgesteld, en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen dringende reden om af te zien van terugvordering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de Wajong-uitkering met terugvordering vanaf 17 december 2015 wordt bevestigd.