Appellante ontving bijstand en er werd een hennepkwekerij met 280 planten van circa zes weken oud in haar woning aangetroffen. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in vanaf 31 januari 2017 en vorderde kosten terug, stellende dat er sprake was van een eerdere oogst. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet zelf de kwekerij exploiteerde en beriep zich op de onschuldpresumptie vanwege vrijspraak strafrechter voor het telen van hennep. De Raad oordeelde dat het bewijs voor een eerdere oogst onvoldoende was en dat de intrekking over de periode vóór 28 maart 2017 onterecht was. Wel werd vastgesteld dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden door de kwekerij niet te melden, ook al was zij niet zelf de teler.
De Raad benadrukte dat de bestuursrechtelijke beoordeling minder strenge bewijsregels kent dan het strafrecht en dat faciliteren van een hennepkwekerij ook onder de meldingsplicht valt. Het beroep op de onschuldpresumptie faalde omdat het bestuursrechtelijk besluit een andere rechtsvraag betreft dan de strafrechterlijke vrijspraak.
De Raad vernietigde het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode 31 januari tot 27 maart 2017, herroept het eerdere besluit en draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe berekening te maken. Ook werd de maatregel van bijstandsverlaging vernietigd. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.