Uitspraak
19.5297 PW, 20/567 PW
OVERWEGINGEN
(lees: 3:2), van de Awb.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds juli 2016 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een melding van netbeheerder Stedin werd in augustus 2017 een hennepkwekerij in zijn woning aangetroffen. Het college startte een onderzoek en besloot vervolgens de bijstand over juni tot en met augustus 2017 te herzien en deels terug te vorderen wegens het niet melden van de hennepkwekerij.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen inkomsten waren omdat de planten onvolgroeid waren en dat het college niet zorgvuldig had onderzocht of er inkomsten waren. De Raad oordeelde dat ook zonder oogst op geld waardeerbare werkzaamheden zijn verricht die gemeld hadden moeten worden. Daarnaast was het niet relevant of de inlichtingenverplichting opzettelijk was geschonden.
Verder stelde appellant dat een inspectie door de verhuurder geen kwekerij had aangetoond, maar kon dit niet onderbouwen. Ook het beroep dat de terugvordering buitenproportioneel was, werd verworpen omdat het terugvorderingsbesluit een verplichtend karakter heeft. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.