ECLI:NL:CRVB:2021:120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot vergoeding opgenomen vakantieverlof en proceskosten ambtenaar
Appellant, werkzaam als ambtenaar, vroeg vergoeding van vakantieverlof dat hij in 2015 had opgenomen tijdens ziekte en daarnaast vergoeding van kosten voor een verzekeringsarts en een deskundigenoordeel van het UWV. Het college had het verzoek afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren en verwees naar de exclusieve regeling voor proceskostenvergoeding in de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde dat het verzoek tot vergoeding van het vakantieverlof neerkomt op een verzoek tot terugkomen op een eerder besluit, waarvoor geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd zoals vereist in artikel 4:6 Awb Pro.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de regeling voor vergoeding van proceskosten exclusief en limitatief is, waardoor geen aanvullende vergoeding van kosten voor deskundigen kan worden toegekend. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van vakantieverlof en proceskosten wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten en de exclusieve regeling voor proceskostenvergoeding.