ECLI:NL:CRVB:2021:1202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon zonder loon buiten referteperiode
Appellant was werkzaam als callcenter medewerker en later als veilingmedewerker via twee verschillende uitzendbureaus. Na het einde van zijn dienstverband ontving hij een WW-uitkering. Vervolgens meldde hij zich ziek en kreeg hij een WIA-uitkering toegekend met een dagloon vastgesteld op basis van een referteperiode van 1 april 2012 tot en met 31 maart 2013.
Appellant stelde dat het loon dat hij verdiende bij het tweede uitzendbureau buiten deze referteperiode ten onrechte niet was meegenomen bij de dagloonberekening. Zowel het UWV als de rechtbank oordeelden dat de referteperiode dwingend is voorgeschreven in de Wet WIA en het Dagloonbesluit, en dat er geen ruimte is voor een afwijkende periode. Ook was geen sprake van omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze lijn. De Raad benadrukte dat de wet- en regelgeving strikt zijn en dat het niet meenemen van loon buiten de referteperiode geen onrechtmatigheid oplevert. Ook een verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. Het verzoek om een tweede WIA-uitkering naast de IVA-uitkering viel buiten de reikwijdte van dit geding.
De Raad concludeerde dat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot vaststelling van het WIA-dagloon zonder loon buiten de referteperiode wordt bevestigd.