ECLI:NL:CRVB:2021:1316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een zieke werknemer. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de werkgever terecht de loonsanctie kreeg opgelegd omdat zij niet voldeed aan haar verplichtingen in het eerste en tweede spoor.
De werkgever voerde aan dat er geen geschikte functies waren en dat het UWV onvoldoende had toegelicht wat aanvullend verricht had moeten worden. Ook stelde zij dat er in het tweede spoor diverse activiteiten waren ontplooid, waaronder sollicitatietrainingen en coaching.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de loonsanctie had opgelegd. De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de werkgever onvoldoende had aangetoond dat zij passende en structurele re-integratie had gerealiseerd. De beleidsregels poortwachter en het rapport van de arbeidsdeskundige ondersteunden dit oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De loonsanctie tegen de werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.