ECLI:NL:CRVB:2021:1317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening beëindiging WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving vanaf 28 augustus 2002 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2003 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WAO-uitkering per 6 januari 2004. Appellant maakte destijds geen bezwaar tegen dit besluit.
In 2014 vroeg appellant een WIA-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, maar na beroep toegekend werd. In 2017 verzocht appellant het UWV om terug te komen op de beëindiging van de WAO-uitkering, stellende dat er nieuwe medische informatie was en dat zijn opleidingsniveau destijds onjuist was vastgesteld, mede vanwege zijn analfabetisme.
Het UWV wees het verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden reeds bekend waren en dat het verzoek niet evident onredelijk was afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot herziening van de beëindiging van de WAO-uitkering wordt afgewezen.