ECLI:NL:CRVB:2021:1324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel betaalde Wajong-uitkering ondanks onjuiste informatie en beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant, sinds 2000 Wajong-uitkeringsgerechtigde, werkte tot begin 2016 als stratenmaker en startte daarna als zelfstandige. Het UWV betaalde hem in 2016 een voorschot op basis van 70% van de grondslag, terwijl dit op grond van zijn inkomen slechts 35% had moeten zijn. Het UWV vorderde daarom in 2018 een bedrag van €7.936,98 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de investeringskosten niet in mindering mochten worden gebracht op het inkomen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de onjuiste informatie pas in 2017 werd gegeven en geen invloed had op het inkomen van 2016. Ook het argument dat appellant noodgedwongen zelfstandige was, werd niet als dringende reden voor kwijtschelding erkend.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, waaronder dat het UWV hem onjuist had geïnformeerd en dat hij daardoor onterecht werd benadeeld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat appellant geen handelingen meer kon verrichten om zijn inkomen in 2016 te beïnvloeden en het UWV verplicht is teveel betaalde uitkeringen terug te vorderen.
De Raad bevestigde dat de terugvordering terecht is en dat geen dringende redenen voor kwijtschelding aanwezig zijn. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de te veel betaalde Wajong-uitkering over 2016 en wijst het hoger beroep af.