Uitspraak
19.3513 AW
2 juli 2019, 18/4100 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, werd geconfronteerd met een besluit tot onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het niet verrichten van werkzaamheden op 19 mei 2017 en het afleggen van wisselende verklaringen daarover. Daarnaast werd een aanrijding op 8 juni 2017 onderzocht, maar dit werd niet als plichtsverzuim aangemerkt.
De Raad oordeelt dat het college terecht kon schorsen en salaris inhouden vanwege het vermoeden van ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestond uit het niet uitvoeren van werkzaamheden en het wisselend verklaren, wat als ernstig werd aangemerkt. De aanrijding met de bloembak en het niet melden daarvan kwalificeerden niet als plichtsverzuim.
Het college had onvoldoende kunnen aantonen dat het ontslag op de primaire grondslag gerechtvaardigd was, mede omdat het plichtsverzuim niet ernstig genoeg was voor onvoorwaardelijk ontslag. Ook de subsidiaire ontslaggronden wegens dringend belang en functieongeschiktheid konden niet worden gehandhaafd, omdat geen verbetertraject was gebleken en geen uitzonderlijke situatie bestond.
De Raad vernietigt daarom het besluit tot onvoorwaardelijk ontslag en beveelt het college een nieuwe beslissing te nemen, waarbij tevens wordt bepaald dat beroep tegen deze nieuwe beslissing alleen bij de Raad kan worden ingesteld. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen.