Uitspraak
19.4520 WAJONG
24 oktober 2019, 18/6285 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, waarbij zij aangaf sinds januari 2018 de ziekte van Crohn te hebben. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij arbeidsvermogen had, een besluit dat door de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte de beoordelingsdatum had gehanteerd en dat zij al vanaf haar zestiende ernstige lichamelijke en psychische klachten had, waardoor zij niet arbeidsbekwaam was. Het UWV voerde aan dat het onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de medische stukken geen indicatie gaven voor een arbeidsongeschiktheid van 90%.
De Centrale Raad oordeelde dat het UWV terecht de beoordelingsperiode had genomen van de achttiende verjaardag van appellante en de vijf jaren daarna. Uit de medische en arbeidskundige rapporten bleek dat appellante weliswaar beperkingen had, maar toch ten minste vier uur per dag belastbaar was en over basale werknemersvaardigheden beschikte. De Raad vond geen aanleiding om de conclusies van het UWV te betwijfelen en bevestigde de eerdere uitspraak.
De Raad wees ook op het belang van een retrospectieve beoordeling bij laattijdige aanvragen en dat het risico van onvoldoende gegevens voor rekening van appellante komt. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens het bestaan van arbeidsvermogen.