ECLI:NL:CRVB:2021:138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek bevestigd
Appellante was werkzaam als [naam functie] en meldde zich ziek op 13 augustus 2014. Na beëindiging van haar dienstverband op 28 december 2015 stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna haar ZW-uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen contact had opgenomen met de bedrijfsarts en dat haar beperkingen groter waren dan aangenomen. Zij overhandigde aanvullende medische rapporten en verzocht om een onafhankelijke deskundige op grond van het Korošec-arrest.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellante gebruik had gemaakt van haar mogelijkheden om medische informatie in te dienen en dat er geen schending was van het equality of arms-beginsel. De medische beperkingen waren voldoende gemotiveerd en de functies waarop de beoordeling was gebaseerd, waren medisch geschikt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering na een zorgvuldig en gemotiveerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek.