ECLI:NL:CRVB:2021:142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon afgeleid van WAO-dagloon
Appellant ontving een WAO-uitkering en was daarnaast werkzaam bij een werkgever. Het UWV stelde het WW-dagloon vast op basis van het WAO-dagloon, conform artikel 8 van Pro het Dagloonbesluit. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het WW-dagloon en stelde dat het recht op WW-uitkering uit 2013 zou moeten herleven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het WW-dagloon correct had vastgesteld en dat artikel 8 van Pro het Dagloonbesluit dwingendrechtelijk is. Het bezwaar van appellant dat het oude WW-recht zou herleven werd verworpen omdat het UWV de WW-uitkering in 2013 had ingetrokken en appellant de ten onrechte ontvangen uitkering had terugbetaald.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Het UWV had het WW-dagloon terecht berekend op basis van het laatstelijk geldende WAO-dagloon, aangepast naar de mate van arbeidsongeschiktheid. Er was geen sprake van herleving van een oud WW-recht maar van een nieuw recht. Appellant kon geen toezeggingen of gedragingen van het UWV aantonen die anders zouden doen gelden.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het WW-dagloon is terecht vastgesteld op basis van het WAO-dagloon.