ECLI:NL:CRVB:2021:1420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemeld buitenlands onroerend goed
Appellante ontving sinds 4 juli 2005 bijstand, maar meldde niet dat zij voor de helft eigenaar was van een woning in Servië. De Sociale Recherche Maastricht stelde een onderzoek in, waarbij een taxatie door het IBF de waarde van de woning in 2016 en 2005 vaststelde. Het college besloot op basis hiervan de bijstand terug te vorderen over de periode van 4 juli 2005 tot 11 augustus 2016.
Appellante voerde bezwaar aan met een eigen taxatierapport van 2018, waarin een lagere waarde werd gesteld. De Raad oordeelde dat het rapport van het IBF voldoende betrouwbaar was voor de waardebepaling in 2016, maar dat de waardebepaling voor 2005 onvoldoende was onderbouwd omdat factoren zoals onderhoud en marktontwikkelingen niet inzichtelijk waren gemaakt.
Omdat concrete gegevens over de waarde van de woning voor 30 januari 2016 ontbraken, kon het vermogen van appellante in die periode niet worden vastgesteld en daarmee ook het recht op bijstand niet. Het taxatierapport van appellante had geen betrekking op de beoordelingsperiode. De terugvordering werd daarom beperkt tot het benadelingsbedrag van € 16.771,-. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van € 16.771,- wordt bevestigd.