Uitspraak
19.1010 WLZ
29 januari 2019, 18/3133 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
gedeeltelijkte wijzigen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), had een persoonsgebonden budget en sloot een zorgovereenkomst met een thuiszorgorganisatie. Het zorgkantoor onthield bij brief van 14 februari 2018 de goedkeuring van deze zorgovereenkomst omdat de omschreven zorg niet overeenkwam met de feitelijk geleverde zorg. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de brief als een besluit moest worden aangemerkt en dat het zorgkantoor terecht de goedkeuring onthield.
In hoger beroep betoogde appellante dat het zorgkantoor onzorgvuldig had gehandeld en dat de zorgovereenkomst wel overeenkwam met de geleverde zorg. De Raad stelde ambtshalve vast dat de brief van 14 februari 2018 wel degelijk een besluit is in de zin van de Awb, maar oordeelde dat het zorgkantoor niet bevoegd was om de goedkeuring te onthouden op de grond dat de omschreven zorg niet overeenkomt met de feitelijke zorg. Dit volgt uit de toepasselijke regelgeving (Blz en Rlz) en het systeem van het trekkingsrecht.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het zorgkantoor, herroept het besluit van 14 februari 2018 en veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van appellante. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed. Hiermee treedt deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het besluit van het zorgkantoor om de goedkeuring van de zorgovereenkomst te onthouden wordt vernietigd en herroepen.