Appellant, voormalig postbesteller, meldde zich ziek met clusterhoofdpijn en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk de arbeidsongeschiktheid vast op 46,45%, later verhoogd naar 57,85% en uiteindelijk na bezwaar op 60,52%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met concentratieproblemen en bijwerkingen van medicatie, en dat het ziekteverzuim hoger dan 25% zou zijn, waardoor hij volledig arbeidsongeschikt zou moeten worden verklaard. Tevens stelde hij dat het UWV onvoldoende rekening hield met de onvoorspelbaarheid van aanvallen en de noodzaak tot onderbreking van werk.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV het bezwaar van appellant terecht gedeeltelijk had gehonoreerd met een nieuwe vaststelling van 60,52% arbeidsongeschiktheid. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en hield rekening met alle klachten, inclusief concentratieproblemen en medicatiebijwerkingen. De Raad verwierp het beroep op het Schattingsbesluit dat een werkgever niet in redelijkheid verplicht kan worden om de appellant in dienst te nemen, omdat de beperkingen en ziekteverzuim binnen redelijke grenzen lagen.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens veroordeelde zij het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.