ECLI:NL:CRVB:2021:1518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging loonsanctie vanwege onvoldoende motivering re-integratiekansen
Appellante, een werkgever, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende zou hebben gedaan aan de re-integratie van een werknemer die uitviel met lichamelijke en psychische klachten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV.
In hoger beroep stelde appellante dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat de re-integratiekansen niet daadwerkelijk waren gemist, mede omdat de bedrijfsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) had opgesteld waarop het UWV zich niet had mogen baseren.
De Raad oordeelde dat het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat de bedrijfsarts tekort was geschoten bij het vaststellen van de belastbaarheid en dat de motivering van het besluit tot loonsanctie onvoldoende was. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het eerdere besluit van het UWV en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot oplegging van de loonsanctie wordt vernietigd en het eerdere besluit van het UWV herroepen.