Appellanten ontvingen bijstand sinds 2004. Na een onderzoek in 2015-2017 naar hun financiële situatie en mogelijke betrokkenheid bij hennepteelt, trok het dagelijks bestuur hun bijstand in vanaf 1 september 2016 en vorderde terugbetalingen.
Appellant werd in België veroordeeld voor betrokkenheid bij twee hennepplantages in de periode van 15 oktober 2016 tot 25 januari 2017. De Raad sloot zich aan bij het Belgische vonnis en oordeelde dat voor die periode het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege schending van de inlichtingenplicht.
Voor de periode van 30 april 2016 tot 1 september 2016 oordeelde de Raad dat het dagelijks bestuur onvoldoende bewijs had geleverd om de intrekking te rechtvaardigen, mede vanwege verklaringen van de dochter en schoonzoon over geringe uitgaven en gebruik van de auto.
De Raad vernietigde de intrekkingsbesluiten voor de periode tot 15 oktober 2016 en bevestigde de intrekking vanaf die datum. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten en werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is.