ECLI:NL:CRVB:2021:1543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving sinds oktober 2015 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een tip startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering, waarbij werd vastgesteld dat appellante vanaf 1 september 2016 een gezamenlijke huishouding voerde met X zonder dit te melden.
De Svb trok daarom de uitkering met terugwerkende kracht in per 1 september 2016. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verklaringen van X onder druk waren afgelegd en dat intrekking onaanvaardbare financiële gevolgen had. De Raad verwierp deze gronden, stelde vast dat de verklaringen en checklist een toereikende feitelijke grondslag boden en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad oordeelde dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt bij het voeren van een gezamenlijke huishouding, tenzij dit ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende is. Dringende redenen om van intrekking af te zien waren niet aannemelijk gemaakt. De intrekking werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.