Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het dagelijks bestuur vermoedde dat appellant niet op dat adres woonde, mede gebaseerd op extreem laag elektriciteits- en gasverbruik, weigering huisbezoek en waarnemingen. Hierdoor werd bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege schending van medewerkingsplicht door weigering huisbezoek. Tevens werd een boete opgelegd wegens deze weigering. Zowel appellant als het dagelijks bestuur gingen in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht de bijstand introk en terugvorderde omdat appellant niet op het uitkeringsadres woonde en zijn inlichtingenplicht schond. De boete wegens weigering huisbezoek kon echter niet op grond van de Participatiewet worden opgelegd. Wel werd een lagere boete opgelegd voor het niet melden van het werkelijke verblijfadres. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.