ECLI:NL:CRVB:2021:1561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting WIA-uitkering als WGA-loonaanvullingsuitkering bij 35,58% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig zorgverlener, meldde zich ziek met schouderklachten en vroeg meerdere keren om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering omdat appellant niet verzekerd was of omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was vastgesteld. Na diverse procedures en medische onderzoeken kende het UWV uiteindelijk een loongerelateerde WIA-uitkering toe, die later werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering vanwege een gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid.
In bezwaar en beroep werd onder meer het medisch onderzoek aangevochten als onvoldoende zorgvuldig, omdat de verzekeringsarts een summier lichamelijk onderzoek had verricht en niet alle behandelaars waren geraadpleegd. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was, mede door het opvragen van informatie bij de orthopedisch chirurg en het betrekken van andere medische gegevens in het dossier.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van 26 juli 2017 dat het bezwaar ongegrond verklaarde, en verklaarde het beroep tegen het latere besluit van 25 september 2020 ongegrond, waarmee de voortzetting van de WIA-uitkering als WGA-loonaanvullingsuitkering werd bevestigd. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: De WIA-uitkering wordt voortgezet als WGA-loonaanvullingsuitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 35,58%, met vernietiging van het eerdere besluit en vergoeding van proceskosten.