Appellant, voormalig medewerker prefab bouw, meldde zich in november 2013 ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde aanvankelijk een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vast, waarna appellant bezwaar maakte en een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt was, mede vanwege cannabisgebruik, en verzocht om een psychiater als deskundige. De Raad benoemde een psychiater die ernstige stoornissen vaststelde, waarna het UWV een gewijzigde FML opstelde en het bezwaar deels gegrond verklaarde. Appellant voerde aan dat beperkingen onvoldoende waren erkend, maar dit werd door de Raad niet gevolgd.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het eerste besluit in stand waren gelaten en verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de procedure met ruim anderhalf jaar was overschreden, waarna de Staat en het UWV werden veroordeeld tot een schadevergoeding van respectievelijk €1.895 en €105, en tot vergoeding van proceskosten.