ECLI:NL:CRVB:2021:1590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing starterskrediet door UWV in redelijkheid bevestigd in hoger beroep
Betrokkene, voormalig beveiliger met een WIA-uitkering, vroeg bij het UWV een starterskrediet aan om een eigen bedrijf in cricket- en hockeyartikelen te starten. Na eerdere toekenningen voor voorbereidingskredieten werd de aanvraag voor het starterskrediet van €55.000 afgewezen vanwege een maximaal toe te kennen bedrag van €35.549, negatieve adviezen over het bedrijfsmodel, BKR-registraties en openstaande schulden.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid omdat niet alle relevante kosten waren betrokken. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat investeringen voorafgaand aan de aanvraag niet relevant zijn voor de kredietbeoordeling. Betrokkene voerde aan dat hij op basis van toezeggingen en adviezen investeringen had gedaan en dat het UWV ten onrechte het krediet had afgewezen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep van betrokkene tegen een ander besluit niet-ontvankelijk was en dat het UWV in redelijkheid het starterskrediet kon weigeren. Het advies van deskundigen was zorgvuldig en het vertrouwen van betrokkene in een toezegging kon niet worden bevestigd. Het hoger beroep van het UWV slaagde, waardoor het eerdere oordeel over onzorgvuldigheid werd vernietigd en het bezwaar ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het tweede aangevallen besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit tot afwijzing van het starterskrediet is ongegrond verklaard.