ECLI:NL:CRVB:2021:1613

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2021
Publicatiedatum
5 juli 2021
Zaaknummer
19/1021 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 114 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar UWV op grond van artikel 114 Wet WIA

Appellante was werkgever van belanghebbende die sinds 2016 arbeidsongeschikt is en een WIA-uitkering aanvroeg. Het UWV wees de aanvraag af omdat belanghebbende niet via appellante verzekerd was volgens artikel 114 Wet Pro WIA. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk dan wel ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel belanghebbende was en dat het UWV onrechtmatig had gehandeld, maar trok later haar schadeverzoek in.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

19.1021 WIA

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 januari 2019, 18/2530 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[belanghebbende] te [woonplaats] (belanghebbende)
Datum uitspraak: 2 juli 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H.G. in de Braekt hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 oktober 2020 heeft appellante desgevraagd haar verzoek om vergoeding van de door haar gestelde geleden schade, nader toegelicht. Het Uwv heeft daarop een reactie gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen haar directeur [naam directeur] , bijgestaan door mr. In de Braekt. Als tolk is verschenen L. Demir-Gungor. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar dochter. Het geding is gevoegd behandeld met het geding, geregistreerd onder nummer 19/995 WIA, waarin heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.
Belanghebbende is sinds 4 januari 2007 bij appellante voor 38 uur per week werkzaam geweest als bedrijfsleider. Op 16 januari 2016 is belanghebbende voor die werkzaamheden uitgevallen vanwege een zware hersenbloeding. Zij heeft op 14 oktober 2017 bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 6 december 2017 heeft het Uwv de aanvraag van belanghebbende afgewezen. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat belanghebbende op 16 januari 2016 geen dienstverband met appellante had noch een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en dat zij niet via appellante verzekerd was voor de Wet WIA. Appellante heeft tegen het besluit van 6 december 2017 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Op 3 mei 2018 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 december 2017 niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens het Uwv is appellante gelet op het bepaalde in artikel 114 van Pro de Wet WIA geen belanghebbende bij een besluit over het verzekerd zijn op grond van die wet.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het door het Uwv nadere genomen besluit van 3 mei 2018 ongegrond. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit vervangen is door het besluit van 3 mei 2018, waardoor appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat op grond van artikel 114 van Pro de Wet WIA appellante geen belanghebbende is bij het primaire besluit van 6 december 2017 en dat het bezwaar van appellante met het besluit van 3 mei 2018 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante opnieuw betwist dat zij geen belanghebbende is. Appellante heeft erop gewezen dat het Uwv haar steeds als belanghebbende heeft beschouwd. Daarnaast heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv door het niet handhaven van het besluit van 21 maart 2018 jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd op grond waarvan het Uwv schadeplichtig is geworden.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en zich op het standpunt gesteld dat er geen grondslag bestaat voor de door appellante gevraagde schadevergoeding.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven en maakt de Raad tot de zijne.
4.2.
Ter zitting heeft appellante haar verzoek om het Uwv te veroordelen in de door haar gestelde geleden schade ingetrokken, waardoor dit geschilpunt geen bespreking meer behoeft.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en E.W. Akkerman en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2021.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) A.M.M. Chevalier