ECLI:NL:CRVB:2021:1637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening WIA-uitkering met Participatiewetuitkering en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat na verrekening van de WIA-uitkering met de Participatiewetuitkering niets meer aan hem verschuldigd was. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, omdat het UWV verplicht is tot verrekening op vordering van de gemeente en niet bevoegd is de rechtmatigheid van de vordering te toetsen.
In hoger beroep stelde appellant dat de verrekening onjuist was, maar de Raad oordeelde dat het UWV de berekening inzichtelijk en overtuigend had gemotiveerd. Ook werd rekening gehouden met voorschotten ten gunste van appellant. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure langer dan vier jaar duurde, mede door de coronacrisis, en kende een vergoeding toe van €1.000,-. Tevens werden proceskosten van €267,- aan appellant toegekend.
De uitspraak bevestigt het besluit van het UWV en wijst het hoger beroep af, terwijl de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.