ECLI:NL:CRVB:2021:1691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen afbouw mobiliteitstoeslag rechterlijke macht
Appellante, voormalig rechter bij de rechtbank en benoemd tot raadsheer bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maakte aanspraak op een mobiliteitstoeslag die op grond van een arbeidsvoorwaardenovereenkomst 2018-2020 in vijf jaarlijkse stappen wordt afgebouwd. Het bestuur van het gerechtshof besloot de toeslag vanaf 1 oktober 2020 met 20% per jaar te verminderen.
Appellante voerde aan dat de afbouw in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het eigendomsrecht zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Zij stelde dat de toeslag een structureel onderdeel van haar salaris was en dat de regeling een onevenredige last oplevert.
De Raad oordeelt dat de afbouwregeling voortkomt uit een arbeidsvoorwaardenovereenkomst en een wettelijk besluit dat de toeslag per 1 oktober 2020 doet vervallen. De Raad vindt geen ernstige gebreken in de totstandkoming of inhoud van het besluit en acht de afbouw in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel.
Ten aanzien van het eigendomsrecht overweegt de Raad dat, ook als sprake is van inmenging, deze gerechtvaardigd is, een legitiem doel dient en een evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden. De ruime beoordelingsvrijheid van de Staat en het overleg met vakorganisaties ondersteunen dit oordeel.
Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en wijst de vordering van appellante af.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afbouw van haar mobiliteitstoeslag wordt ongegrond verklaard.