Verzoeker ontvangt sinds 1998 een uitkering op grond van de Participatiewet. In januari 2020 werd de maandelijkse inhouding voor de bestuursrechtelijke premie verhoogd van €138,50 naar €141,50, zoals vermeld op de uitkeringsspecificatie. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze specificatie, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de inhouding niet zou afwijken van eerdere besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de uitkeringsspecificatie met de verhoogde inhouding wel een besluit in de zin van de Awb is. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Het bezwaar van verzoeker richtte zich echter niet tegen de inhouding zelf, maar op een geschil met de zorgverzekeraar. Hierdoor ontbrak het procesbelang voor het bezwaar, zodat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven daarom in stand en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Ten slotte wordt opgemerkt dat verzoeker hulp behoeft van het college om de langdurige inhouding van de premie te beëindigen en dat het wenselijk is dat partijen tot een oplossing komen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.