ECLI:NL:CRVB:2021:1726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd in hoger beroep
Appellant, voormalig beveiligingsbeambte, viel in 2013 uit wegens ziekte en ontving een WAO-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 10 februari 2019 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige beoordelingen en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is en overhandigde medische rapporten uit België die dit zouden bevestigen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze rapporten niet overtuigend waren en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had vastgesteld, inclusief rekening houdend met psychische klachten.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de geselecteerde functies medisch passend zijn en dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld. De beëindiging van de WAO-uitkering werd daarom bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.