Uitspraak
19 953 WAO
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Bij besluit van 27 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2003 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Uit onderzoek van het UWV bleek dat appellant tussen 2009 en 2018 werkzaamheden verrichtte in België en Duitsland, zonder dit te melden, terwijl zijn inkomsten aanzienlijk hoger waren dan het maatmaninkomen waarop de uitkering is gebaseerd.
Het UWV paste artikel 44 van Pro de WAO toe en stelde vast dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering over die periode niet toekwam. De te veel betaalde uitkering van €133.176,73 werd teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn werkzaamheden niet als algemeen geaccepteerde arbeid konden worden aangemerkt en dat hij zonder cannabis niet kon werken.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij geen recht had op uitkering vanwege zijn hoge inkomsten. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, benadrukkend dat appellant in strijd met artikel 80 WAO Pro geen opgave had gedaan van zijn werkzaamheden en inkomsten, en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De Raad verwierp tevens een tegenvordering van appellant wegens vermeende besparingen op re-integratiekosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €133.176,73 wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid en verklaart het hoger beroep ongegrond.