Appellant ontving bijstand vanaf december 2015 en stond ingeschreven op een appartement in een complex te [woonplaats]. Het college startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij sociaal rechercheurs waarnemingen verrichtten en buurtbewoners als getuigen werden gehoord. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het ontbreken van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de waarnemingen en getuigenverklaringen slechts voor de periode tot 14 januari 2017 voldoende waren om het ontbreken van het hoofdverblijf aannemelijk te maken. Voor de periode daarna ontbrak een deugdelijke onderbouwing. De verklaring van een directe buurman werd als minder betrouwbaar beoordeeld vanwege tegenstrijdigheden met andere verklaringen en waarnemingen.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten deels en droeg het college op opnieuw te beslissen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.