ECLI:NL:CRVB:2021:1752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, voormalig monteur, viel in 2010 uit wegens psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Na anonieme meldingen startte het UWV een herbeoordeling, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de functies niet geschikt waren vanwege zijn psychische problematiek.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad concludeerde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de beperkingen adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst waren verwerkt en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn. Rapporten van verschillende psychiaters werden gewogen, waarbij het rapport van Van Amelsfoort minder relevant werd geacht vanwege ontbrekende nieuwe expertise en inconsistenties.
De Raad bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 juli 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering na een zorgvuldig medisch onderzoek.