Uitspraak
19.3208 WW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf november 2015 een WW-uitkering gebaseerd op een arbeidsurenverlies. Vanaf januari 2017 werkte zij op basis van een overeenkomst van opdracht als postverspreider bij een opdrachtgever, waarbij deze werkzaamheden niet als verzekeringsplichtig werden beschouwd. Het UWV bracht de inkomsten uit deze werkzaamheden in mindering op haar WW-uitkering op basis van fictief inkomen volgens artikel 1b, vijfde lid, van de WW.
Appellante maakte bezwaar tegen deze verrekening en vorderde dat het UWV de werkelijke inkomsten zou verrekenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de systematiek van fictief inkomen bij niet-verzekeringsplichtige arbeid. Ook het betoog dat het UWV een zorgplicht zou hebben om appellante hierover te informeren werd verworpen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ook verzekeringsplichtige werkzaamheden verrichtte bij andere werkgevers, waardoor zij als werknemer van de opdrachtgever moest worden aangemerkt en de werkelijke inkomsten verrekend moesten worden. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit standpunt en bevestigde de aangevallen uitspraak. De systematiek van de WW schrijft dwingend voor dat bij niet-verzekeringsplichtige arbeid fictief inkomen wordt toegepast en het UWV heeft de uitkering op juiste wijze vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WW-uitkering correct heeft vastgesteld met toepassing van fictief inkomen voor niet-verzekeringsplichtige arbeid.