Uitspraak
19 2469 AW, 19/2470 AW
24 april 2019, 18/355 (aangevallen uitspraak 1) en 18/1320 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam bij de Dienst Vervoer & Ondersteuning, liep in 2014 twee ongevallen op waarbij zij haar polsen brak. De minister kwalificeerde het eerste ongeval als dienstongeval, maar niet als beroepsincident, en het tweede ongeval niet als dienstongeval. Appellante verklaarde volledig arbeidsongeschikt te zijn sinds juni 2015 vanwege ernstige psychische klachten.
De minister verleende appellante in 2017 eervol ontslag wegens ongeschiktheid tot arbeid op grond van artikel 98 ARAR Pro. Appellante maakte bezwaar tegen de besluiten, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen gronden van bezwaar had ingediend, ook niet na een hersteltermijn. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken.
De Raad oordeelde dat de mededelingen van de minister over de kwalificatie van de ongevallen wel besluiten zijn in de zin van de Awb, maar dat appellante niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van voldoende bezwaarschriften. Tevens stelde de Raad vast dat het ontslag terecht was verleend omdat herstel binnen zes maanden niet te verwachten was en het verrichten van arbeid vanwege haar gezondheidstoestand als hypothetisch moest worden beschouwd, waardoor afzien van een volledig herplaatsingsonderzoek gerechtvaardigd was.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en het ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.