ECLI:NL:CRVB:2021:1882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als sociaal beheerder, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn medische situatie ernstiger was dan vastgesteld, met name dat er een urenbeperking op energetische gronden had moeten worden aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de medische beoordeling en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren en dat de arbeidsdeskundige de belastbaarheid adequaat had gemotiveerd. In hoger beroep voerde appellant aan dat de psychiater die de medische rapporten opstelde bevooroordeeld was en dat de ernst van zijn problematiek onvoldoende was erkend.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad vond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, de FML en de arbeidskundige beoordeling. De rapporten van de psychiater waren zorgvuldig en objectief, en de beperkingen waren in lijn met andere medische informatie. Het verzoek om een onafhankelijke psychiater te benoemen werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering na de eerstejaarsbeoordeling.