ECLI:NL:CRVB:2021:1931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging toeslag op grond van kostendelersnorm in Toeslagenwet
Appellante ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Door de invoering van de kostendelersnorm in de TW is haar toeslag vanaf 2016 stapsgewijs verlaagd, omdat zij bij haar ouders woont. Appellante voerde aan dat deze verlaging in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, vanwege haar persoonlijke situatie als mantelzorger met hoge medische kosten en geringe financiële draagkracht.
De Raad heeft alle omstandigheden afgewogen, waaronder het feit dat appellante geen woonlasten heeft en door haar ouders wordt ondersteund. De Raad concludeert dat de verlaging van de toeslag geen onevenredig zware last oplevert en dat de kostendelersnorm terecht is toegepast. Daarnaast is geoordeeld dat er geen ongerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen AOW-gerechtigden en TW-toeslaggerechtigden, ondanks dat de kostendelersnorm niet in de AOW is ingevoerd.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn in de procedure is overschreden met vijf maanden, waarvoor de Staat een schadevergoeding van € 500,- moet betalen. De proceskosten van appellante worden eveneens vergoed. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De verlaging van de toeslag onder de kostendelersnorm wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.