Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten. Appellanten voerden aan dat het onderzoek onrechtmatig was en dat de zesmaandenjurisprudentie van toepassing was.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot onderzoek, waaronder buurtonderzoek en huisbezoek, en dat deze onderzoeken een aanvaardbare inbreuk op de privacy vormden. Uit de feiten, waaronder verklaringen van appellanten en het huisbezoek, bleek dat zij gezamenlijk hoofdverblijf hadden. De intrekking van de bijstand en terugvordering waren daarmee terecht.
Het beroep op de zesmaandenjurisprudentie faalde omdat deze niet geldt bij verplichte terugvordering. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim een jaar werd overschreden, waarvoor een schadevergoeding van € 2.000 werd toegekend. Verzoeken om immateriële schadevergoeding en wettelijke rente werden afgewezen.
De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten van appellanten en bevestigde de aangevallen uitspraak en het nader besluit. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen.