Appellante ontving bijstand van juli 2014 tot juni 2016. Het college startte een onderzoek en trok bijstand in en vorderde terugbetaling wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht, onder meer door het niet verstrekken van creditcardafschriften en onvoldoende informatie over een nalatenschap en de verkoop van puppy’s.
De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van appellante, maar vernietigde het besluit slechts voor bepaalde perioden. Het college nam een nieuw besluit waarbij bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd over een langere periode, opnieuw vanwege onvolledige informatie.
In hoger beroep stelde appellante dat zij voldoende informatie had verstrekt over de nalatenschap en het fokken van puppy’s, maar niet alle creditcardafschriften kon overleggen. De Raad oordeelde dat het college gerechtigd was deze afschriften op te vragen en dat het ontbreken daarvan rechtvaardigt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Het incidenteel hoger beroep van het college slaagde deels omdat nieuwe feiten over de schending van de inlichtingenplicht waren gebleken die niet aan de eerdere uitspraak ten grondslag lagen. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit voor het deel vanaf 1 januari 2016 en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moet nemen over de terugvordering.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.