ECLI:NL:CRVB:2021:1945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verjaring terugvordering onverschuldigde bijstand volgens subjectieve bekendheid
Appellanten ontvingen bijstand vanaf 2010 en werden onderzocht na een melding over werkzaamheden. De sociale recherche vroeg bankafschriften op waaruit contante stortingen bleken. Het college beëindigde en herzag de bijstand en vorderde kosten terug wegens vermeende onrechtmatigheid.
Appellanten voerden aan dat de terugvordering over 2012-2013 was verjaard omdat het college toen al bekend was met de feiten. De Raad oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar volgens artikel 3:309 BW Pro pas begint te lopen wanneer het college subjectief bekend is met het bestaan van de vordering en de ontvanger.
Omdat het college pas in maart 2018 bankafschriften ontving die duidelijk maakten dat onverschuldigde bijstand was betaald, was de verjaringstermijn toen pas aangevangen. Er was geen bewijs dat het college in 2012 al voldoende bekend was met de feiten. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde bijstand over 2012-2013 is niet verjaard en het hoger beroep wordt afgewezen.