In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 4 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de intrekking van bijstand en de terugvordering van bijstandsbedragen van appellante, die contante bedragen op haar bankrekening had ontvangen. Appellante ontving sinds 4 juli 2012 bijstand op basis van de Participatiewet (PW). In 2019 heeft de gemeente Leeuwarden een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstandsverlening, waarbij signalen van het Inlichtingenbureau (IB) naar voren kwamen. De gemeente heeft vastgesteld dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door contante bedragen niet te melden. De Raad oordeelt dat het college bevoegd was om nader onderzoek te doen en dat de terugvordering niet verjaard was, omdat het college pas na het onderzoek voldoende duidelijkheid had over de herkomst van de gelden. De Raad heeft de hoogte van de boete verlaagd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en heeft het college veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan appellante. De uitspraak bevestigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering, maar past de boete aan en kent schadevergoeding toe wegens de overschrijding van de redelijke termijn.