Appellante ontving sinds 2012 bijstand en kreeg contante stortingen op haar bankrekening van haar ouders die zij niet had gemeld. Na een onderzoek, gestart in 2019, stelde het college vast dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden en trok de bijstand over meerdere periodes in, vorderde de kosten terug en legde een boete op.
Appellante voerde aan dat het college niet opnieuw onderzoek mocht doen, dat de terugvordering deels verjaard was en dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot nader onderzoek, dat de verjaringstermijn pas begon toen het college voldoende feiten kende en dat het stilzitten geen aanleiding gaf tot vervroegde verjaring. Ook was de belangenafweging van het college niet onevenwichtig.
De Raad stelde vast dat de procedure de redelijke termijn had overschreden, waardoor de boete werd verlaagd en een schadevergoeding van €500 werd toegekend. Het beroep werd verder afgewezen, de intrekking en terugvordering bleven in stand, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.