ECLI:NL:CRVB:2021:1956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens te lang verblijf in buitenland en inkomenstoerekening
Appellant ontvangt sinds september 2014 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college de bijstand over diverse maanden herzien en ingetrokken, en een bedrag van €9.087,19 teruggevorderd. Dit vanwege langer dan toegestaan verblijf in het buitenland en het niet melden van bijschrijvingen en kasstortingen op bankrekeningen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen moeten worden beschouwd en dat de vaststelling van verblijf in het buitenland op basis van pintransacties correct was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de stortingen bedoeld waren voor vrienden en dat het college willekeurig de verblijfsdagen in het buitenland vaststelde.
De Raad oordeelt dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die de eerdere motivering weerleggen. Er zijn geen controleerbare bewijsstukken dat de stortingen niet als inkomen moeten worden aangemerkt. De vaststelling van verblijfsperiodes is zorgvuldig en niet willekeurig. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.