ECLI:NL:CRVB:2021:1967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1979, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege diverse medische beperkingen waaronder astma, klompvoet, een verschoven rugwervel en het Ehlers-Danlos Syndroom (EDS). Het UWV weigerde de uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid op haar achttiende verjaardag en in de vijf jaar daarna minder dan 25% bedroeg. De rechtbank vernietigde het eerste besluit omdat het UWV de verkeerde wet (Wajong 2015) toepaste en gaf het UWV de gelegenheid een nieuwe beoordeling te doen op basis van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
Na herbeoordeling handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen door EDS in de periode tot haar 23e jaar toenamen, maar zij liet haar zienswijze hierover ter zitting vallen.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch geschikt waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was. Er was geen bewijs van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag. De medische gegevens en verklaringen ondersteunden niet dat EDS in die periode al tot beperkingen leidde. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen Wajong-uitkering toekomt wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.