Appellant, met diagnoses ASS en ADD, kreeg van het college een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor individuele begeleiding, gebaseerd op het tarief voor sociaal netwerk. De rechtbank had het besluit vernietigd vanwege onvoldoende onderbouwing van de urenomvang, maar oordeelde dat het tarief passend was.
In hoger beroep stond de vraag centraal of het pgb terecht was toegekend op basis van het tarief voor sociaal netwerk, terwijl de begeleider van appellant zijn moeder is, die tevens als professional wordt aangemerkt. De Raad stelde vast dat de wetgever gemeenten ruimte biedt om binnen de Wmo 2015 een onderscheid te maken in tarieven voor professionele begeleiding en begeleiding vanuit het sociale netwerk.
De Raad concludeerde dat de moeder van appellant tot zijn sociale netwerk behoort en dat het college binnen de wettelijke kaders terecht het pgb op basis van het tarief voor sociaal netwerk heeft verstrekt. Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 8 juni 2020 werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.