ECLI:NL:CRVB:2021:2
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
OV-schuld wegens te late stopzetting studentenreisproduct geen punitieve sanctie
Betrokkene genoot in 2018 studiefinanciering inclusief een studentenreisproduct. Na uitschrijving per 26 juni 2018 werd het recht op studiefinanciering per 1 juli 2018 beëindigd. Betrokkene stopte het reisproduct pas op 21 juli 2018, waardoor een OV-schuld van €194,- ontstond. De minister legde deze schuld op en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank had de OV-schuld verminderd tot €25,- en geoordeeld dat de schuld een punitief karakter had, aangezien betrokkene het reisproduct niet tijdig stopzette en de schuld een bestuurlijke boete vormde. De minister ging tegen deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad stelt vast dat de OV-schuld niet is gebaseerd op het feitelijk gebruik van het reisproduct, maar op het beschikken over het recht, dat een economische waarde vertegenwoordigt. De OV-schuld heeft daarom geen bestraffend karakter. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister ongegrond, waardoor de oorspronkelijke OV-schuld blijft bestaan.
Uitkomst: Het beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de OV-schuld blijft onverminderd van kracht.