ECLI:NL:RBGRO:2001:AD8049
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering OV-schuld wegens niet tijdig inleveren OV-studentenkaart
Eiser had zijn recht op studiefinanciering per 1 augustus 1999 beëindigd en leverde zijn OV-studentenkaart niet binnen de voorgeschreven termijn in, maar pas begin september 1999. Verweerster stelde een schuld vast van ƒ 450,- wegens het niet tijdig inleveren van de kaart. Eiser voerde aan dat de boete onterecht was omdat de kaart in de betreffende periode slechts recht gaf op korting en dat hij de kaart achteraf langer had kunnen houden vanwege een gewijzigde bijverdiengrens.
De rechtbank oordeelde dat de OV-schuld krachtens artikel 32f, derde lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF) niet als een bestuurlijke boete of punitieve sanctie kan worden aangemerkt, maar als een herstelmaatregel met reparatoir karakter. De hoogte van de schuld is rechtstreeks gekoppeld aan de economische waarde van de kaart. De omstandigheden van eiser, waaronder zijn veronderstelling over het recht op studiefinanciering en de gewijzigde bijverdiengrens, vormen geen overmachtsituatie die hem kan vrijstellen van de schuld.
De rechtbank wees ook het beroep op de hardheidsclausule af, omdat geen sprake was van onbillijkheid van overwegende aard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding om eiser te veroordelen in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de OV-schuld van ƒ 450,- blijft onverminderd van kracht.