ECLI:NL:RBDHA:2019:3200
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering van opgelegde ov-schuld wegens geringe verwijtbaarheid niet tijdig stopzetten reisrecht
Eiseres kreeg studiefinanciering met een studentenreisproduct toegekend, dat zij uiterlijk op 8 augustus 2017 had moeten stopzetten na beëindiging van haar studiefinanciering per 1 augustus 2017. Zij stelde dat zij haar ov-chipkaart was kwijtgeraakt en daardoor het reisrecht niet tijdig kon stopzetten. Verweerder stelde dat het niet tijdig stopzetten haar volledig toerekenbaar is en legde een ov-schuld van €291 op.
De rechtbank stelde vast dat eiseres haar reisrecht niet had gebruikt en dat reizen, indien al gebeurd, op eigen kosten was gedaan. De ov-schuld is bedoeld als compensatie voor vervoersbedrijven, maar in dit geval was er geen gederfde inkomsten. De rechtbank oordeelde dat de ov-schuld in dit geval een punitieve sanctie is, een bestuurlijke boete, en dat de verwijtbaarheid van eiseres gering is.
Daarom werd de ov-schuld verminderd tot €50. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtbank droeg verweerder op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 21 maart 2019.
Uitkomst: De ov-schuld wordt verminderd tot €50 wegens geringe verwijtbaarheid van eiseres.