ECLI:NL:CRVB:2021:2033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontslag op verzoek bij vaststellingsovereenkomst in WW-uitkeringszaak
In deze zaak stond centraal of betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden doordat zijn dienstbetrekking zou zijn beëindigd op zijn verzoek. Het Uwv kende betrokkene een WW-uitkering toe met ingang van 1 maart 2018. Het college maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv en vervolgens door de rechtbank ongegrond werd verklaard.
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat, ondanks instemming van betrokkene met het toepassen van artikel 8:1 van Pro de CAR, niet kan worden gesproken van een ontslag op verzoek van betrokkene. Dit ontslagverzoek moet in de context worden bezien, waarbij het initiatief tot beëindiging van de dienstbetrekking afkomstig was van het college.
De Raad benadrukte dat een ontslagverzoek vaak het resultaat is van onderhandelingen tussen werkgever en werknemer over de voorwaarden van beëindiging, maar dat dit niet betekent dat het verzoek van de werknemer uitgaat. Gezien deze omstandigheden werd het hoger beroep ongegrond verklaard en bleef de toekenning van de WW-uitkering in stand.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; geen ontslag op verzoek betrokkene, WW-uitkering blijft gehandhaafd.