ECLI:NL:CRVB:2021:2066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid inhouding eigen bijdrage Wlz op Wajong-uitkering
Appellante ontvangt een Wajong-uitkering en het UWV heeft vanaf 1 januari 2019 de eigen bijdrage Wet langdurige zorg (Wlz) van €551,08 per maand ingehouden op haar uitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat het UWV op de hoogte was van een nihilstelling van de eigen bijdrage door het CAK en daarom het besluit had moeten herzien of aanhouden.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV op grond van artikel 3:47 Wajong Pro bevoegd was tot inhouding en dat het bestuursorgaan in beginsel alleen hoeft te onderzoeken of de inhouding mogelijk is in relatie tot het resterende bedrag aan uitkering, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden aanwezig.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en verwierp het beroep. De Raad bevestigde dat het bestuursorgaan niet gehouden is tot verder onderzoek dan de toets op de mogelijkheid van inhouding en dat appellante onvoldoende heeft gesteld om bijzondere omstandigheden aan te tonen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee de inhouding van de eigen bijdrage op de Wajong-uitkering rechtmatig blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de inhouding van de eigen bijdrage Wlz op de Wajong-uitkering rechtmatig is.