ECLI:NL:CRVB:2021:2070

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2021
Publicatiedatum
18 augustus 2021
Zaaknummer
20/3416 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening in AOW-uitkeringszaak

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot herziening ingediend van een uitspraak van 20 september 2019, waarin zijn verzet tegen een eerdere uitspraak werd afgewezen. Deze eerdere uitspraak betrof de niet-ontvankelijkheid van zijn hoger beroep wegens het niet tijdig indienen van het hogerberoepschrift.

De Raad heeft het verzoek om herziening beoordeeld aan de hand van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat herziening mogelijk maakt indien er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die voorheen niet bekend waren en tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Verzoeker heeft echter geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aan deze criteria voldoen.

De financiële situatie van verzoeker werd wel genoemd, maar dit vormt geen grond voor herziening. De Raad benadrukt dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak.

Daarom wijst de Centrale Raad van Beroep het verzoek om herziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de eerdere uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

20.3416 AOW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 september 2019, 18/6380 AOW-V
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
Datum uitspraak: 13 augustus 2021
PROCESVERLOOP
Verzoeker is het niet eens met de uitspraak van de Raad van 20 september 2019 en heeft op
2 september 2020 verzocht om een herziening van die uitspraak.
Het verzoek om herziening is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 juli 2020. Beide partijen waren daarbij niet aanwezig.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van 20 september 2019 heeft de Raad het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van de Raad van 28 maart 2019 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze beslissing genomen op grond van de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de uitspraak van de Raad van 28 maart 2019 is het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2018, 17/7095 niet-ontvankelijk verklaard omdat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend en er geen goede reden voor was. Dit betekent dat het hoger beroep niet in behandeling kon worden genomen.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Verzoeker heeft de Raad gevraagd om opnieuw naar zijn zaak te kijken. Ook vraagt verzoeker om een nieuwe beslissing in verband met het krijgen van een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet. De financiële situatie van verzoeker is slecht.
Het is vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb naar voren gebracht. Het verzoek om herziening moet dan ook worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van R. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2021.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) R. Dagmar