ECLI:NL:CRVB:2021:2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WLZ-aanvraag wegens ontbreken verstandelijke beperking
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het CIZ is afgewezen omdat er geen sprake is van een grondslag die toegang geeft tot zorg op basis van een verstandelijke beperking.
De rechtbank Overijssel heeft het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat de medisch adviseur van het CIZ voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een verstandelijke beperking die voor het achttiende levensjaar aanwezig was. De scores van intelligentietesten in 2011 en 2018 waren niet laag genoeg om een verstandelijke beperking aan te nemen, mede gezien het feit dat de testen niet tijdens de ontwikkelingsleeftijd zijn afgenomen en dat het middelengebruik van appellant de scores negatief kon beïnvloeden.
Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe gronden aan die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit. Tevens merkt de Raad op dat appellant mogelijk toegang tot de Wlz kan krijgen op basis van zijn psychische gesteldheid zodra zijn situatie daartoe noopt.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 augustus 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WLZ-aanvraag wegens ontbreken van een verstandelijke beperking.