ECLI:NL:CRVB:2021:2097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis tijdens zwangerschap
Appellante had een WW-uitkering aangevraagd per 12 december 2018, maar het UWV stelde vast dat zij niet voldeed aan de wekeneis van 26 gewerkte weken in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid, mede door zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Het UWV en de rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de weken van zwangerschapsverlof buiten beschouwing worden gelaten bij de wekeneis, wat een bevoordelende regeling is voor vrouwen. Appellante stelde dat deze regeling toch directe en indirecte discriminatie naar geslacht oplevert.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de regeling juist een compensatie is en geen verboden onderscheid vormt. Er is geen sprake van directe discriminatie omdat de regeling de nadelige gevolgen van zwangerschap compenseert. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van indirecte discriminatie.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WW-uitkering bevestigd wegens niet voldoen aan de wekeneis zonder sprake van verboden discriminatie.