ECLI:NL:CRVB:2021:2101

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
20/1258 PW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbWrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechter in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter tijdens de behandeling van een verzetprocedure bij de Centrale Raad van Beroep. Het verzoek was gebaseerd op algemene kritiek op de rechterlijke macht en eerdere uitspraken van de Raad en rechtbank Gelderland, zonder concrete feiten die de onpartijdigheid van de behandelend rechter zouden aantasten.

De Raad oordeelt dat de aangevoerde argumenten niet zien op de persoon van de behandelend rechter en dat het verzoek in feite gericht is tegen de Raad als geheel. Gezien het tijdstip van indiening, direct bij aanvang van de zitting, en de inhoud van het verzoek is sprake van evident misbruik van het wrakingsrecht.

De Raad neemt het wrakingsverzoek niet in behandeling en bepaalt tevens dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt niet in behandeling genomen wegens gebrek aan persoonlijke gronden en evident misbruik van het recht.

Uitspraak

20/1258 PW-W
Datum beslissing: 19 augustus 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2019, 19/613, in een geding tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders te Harderwijk (college).
Bij uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:113, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht en het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Hierbij zijn de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker verzet gedaan.
Het verzet is ter zitting behandeld op 2 juli 2021 met als behandelend rechter J.C. Boeree. Verzoeker heeft door middel van een telefonische verbinding aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Ter zitting heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter. De behandelend rechter heeft te kennen gegeven niet te berusten in de wraking.
Na de zitting op 2 juli 2021 heeft verzoeker diverse stukken ingediend.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2.1.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 (Stcrt. 2019, 32568; Wrakingsregeling) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig.
2.2.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wrakingsregeling bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.
3. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking van de behandelend rechter ten grondslag gelegd dat gebleken is dat de rechterlijke macht niet te vertrouwen is. Daarbij heeft hij gewezen op een door de rechtbank Gelderland behandelde strafrechtelijke procedure. In 2020 is volgens verzoeker gebleken dat de rechtbank Gelderland in die procedure in diverse opzichten onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Onder meer was sprake van een zeer misdadige vorm van tunnelvisie, het inzetten van criminele psychiaters en het gebruik van valse psychologische rapportages. Ook heeft de rechtbank Gelderland hem valselijk beschuldigd van misbruik van het middel van wraking. Verder heeft verzoeker gewezen op de uitspraak van de Raad van 28 juni 2001 (zaaknummers 98/8233 AW en 00/720 AW), die is gedaan in een geschil tussen verzoeker en de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat. Volgens verzoeker heeft Rijkswaterstaat in die zaak karaktermoord op hem gepleegd, waaraan de Raad heeft meegewerkt.
4. De door verzoeker gebruikte argumenten zien in geen enkel opzicht op de persoon van de behandelend rechter. Daarbij wordt opgemerkt dat de uitspraak van de Raad van 28 juni 2001 niet mede door de behandelend rechter is gewezen. Het verzoek om wraking kan niet anders worden opgevat dan als gericht tegen de Raad als zodanig. Gelet op de door verzoeker gebruikte argumenten en op het moment van indienen van het verzoek, namelijk direct bij aanvang van de zitting, is sprake van evident misbruik van het recht om een wrakingsverzoek in te dienen. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen.
5. Gelet op wat onder 4 is overwogen bestaat tevens aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;
- bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en E.W. Akkerman en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2021.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) D.S. Barthel